.  

 

Met wie speel je het SPEL

Samen met de mensen met wie je woont en een begeleider.

De kaarten

Er zijn 6 verschillende onderwerpen.

Elk onderwerp heeft een eigen kleur.

Van elk onderwerp zijn 32 kaarten:

4 uitbeeldkaartjes, 4 tekenkaartjes en 4 stelling-kaartjes.

  • Op de witte kaarten kun je zelf vragen opschrijven, bijvoorbeeld als je met elkaar over een bepaald onderwerp wilt praten.
  • Er zijn 6 stopkaarten.

  • Een stopkaart gebruik je als je een vraag niet wilt of kunt beantwoorden.

De dobbelstenen

Er zijn 2 verschillende dobbelstenen.

  • 1 dobbelsteen met kleuren.

  • 1 dobbelsteen met stippen.

Je kunt kiezen om te spelen met de dobbelsteen met de kleuren of de dobbelsteen met de stippen.

Voorbereiding

  • Samen leg je het Spel klaar.
  • Weet iemand de spelregels niet meer, dan legt de begeleider het Spel uit of leest de spelregels voor. 
  • De begeleider legt 3 of meer kaarten van elke kleur klaar.
  • Ook heeft de begeleider gevraagd of er onderwerpen zijn waarover iedereen wil praten.
  • Deze onderwerpen zijn op de witte kaarten geschreven.
  • De kaarten worden op kleur en met de vragen naar de onderkant in het midden van het Spel gelegd.

Start

Elke speler kiest een pion.

De speler kiest met welke dobbelsteen hij het Spel wil spelen.

Alle pionnen beginnen bij ‘Start’.

De speler die vooraf het hoogst aantal stippen gooit mag als eerste starten.

Kaarten met de vragen

  • De speler pakt een kaart met een vraag.
  • De kaart heeft dezelfde kleur als het vakje waar de pion op staat.
  • De speler of de begeleider leest de vraag.
  • De speler geeft zijn mening op de vraag.
  • Heeft de speler zijn mening verteld, dan mag hij de kaart houden.
  • Kan of wil de speler zijn mening niet geven, dan legt de speler de ‘stopkaart’ neer.
  • De speler schuift de kaart onder de stapel en pakt een nieuwe kaart.
  • Kan of wil de speler ook deze keer zijn mening niet geven, dan mag een andere speler met de dobbelsteen gooien.
  • Komt de speler op een wit vak, dan mag de speler nog een keer gooien.
  • Zijn de kaarten van een kleur op, dan mag de speler zelf een andere kleur kiezen.
  • De speler mag bij zijn mening geven op een vraag de andere spelers om hulp vragen.

Afsluiten van het spel

  • Het spel stopt als alle kaarten op zijn.
  • Aan het einde van het spel worden de kaarten geteld.
  • De speler met de meeste kaarten wint het spel.
  • Soms heb je dan nog vragen.
  • Bespreek dit met je begeleider.
  • Andere vragen kunnen naar de cliëntenraad.
  • Ook dit kun je bespreken met je begeleider.]

Verslag

  • De begeleider maakt van het spelen van het Spel een verslag.
  • De begeleider schrijft in het verslag de antwoorden op, die ook belangrijk zijn voor anderen.